Het substitutierecht (bij o.m. de milieustakingsvordering): de feniks herrijst (opnieuw) uit haar as.

Het Grondwettelijk Hof heeft in haar arrest van 10 oktober 2019 de opheffing van het substitutierecht zoals vervat in artikel 194 van het Gemeentedecreet vernietigd.[1]

Het arrest kan u hier raadplegen.

Artikel 194 van het Gemeentedecreet voorziet in de mogelijkheid voor de burger om namens de gemeente in rechte op te treden tegen het stilzitten van haar eigen bestuur. Aldus worden de belangen van de gemeente beschermd tegen het stilzitten van haar eigen bestuur. Het niet in rechte optreden van een gemeente ter behartiging van de gemeentelijke belangen kan de inwoners en de gemeente namelijk schade berokkenen. Wanneer de organen van de gemeente de gemeentelijke belangen niet beschermen, rijst namelijk de vraag wie en hoe deze belangen juridisch kunnen worden beschermd. De gemeente kan namelijk niet gedwongen worden om in rechte op te treden.[2]

Artikel 194 van het Gemeentedecreet werd in het verleden vooral aangewend om een zogenaamde milieustakingsvordering in te stellen op basis van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. De milieustakingsvordering kan echter niet worden ingesteld door de burger in persoonlijke naam, maar wel door de gemeente. Artikel 194 van het Gemeentedecreet werd daarom aangewend zodat de burger namens de gemeente alsnog een milieustakingsvordering kon instellen.

Deze praktijk werd door de decreetgever echter niet gesmaakt. Dit verklaart ook de pogingen tot het opheffen, dan wel verstrengen van de toepassingsvoorwaarden van het substitutierecht als vervat in artikel 194 van het Gemeentedecreet.[3] De pogingen waren echter tevergeefs, omdat de decreetgever ook in het verleden werd teruggefloten door het Grondwettelijk Hof.[4]

Met het Decreet Lokaal Bestuur werd er opnieuw getracht om het substitutierecht af te schaffen.[5] Het ontwerp van decreet, alsook de finale tekst, hadden de bepaling als vervat in artikel 194 van het Gemeentedecreet namelijk niet hernomen. Alvorens het ontwerp werd gestemd was er reeds een negatief advies van de Raad van State over de niet-herneming van het substitutierecht.[6]

De Raad wijst in haar advies namelijk dat dergelijk ingrijpen op gespannen voet staat met de standstill-verplichting als gewaarborgd bij artikel 23, 4° van de Grondwet, die eraan in de weg staat dat de bevoegde regelgever het beschermingsniveau dat wordt geboden in de van toepassing zijnde regelgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.

Ook leden van het kantoor – prof.dr.mr. Steven Van Garsse en mr. Alexander Verschave – traden de zienswijze van de Raad van State in deze bij en stelden dat het afschaffen van het substitutierecht op gespannen voet staat met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.[7]

In hun bijdrage verwezen zij eveneens naar de eerdere gevelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof hieromtrent.

Het was dus een kroniek van een aangekondigd mislukken.

Het Grondwettelijk Hof volgde die zienswijze en oordeelde – in dezelfde zin als de bewoordingen van de Raad van State – dat de opheffing van het vorderingsrecht in strijd is met de standstill-verplichting.[8]

Waar de Raad van State enkel melding maakte van de standstill-verplichting met betrekking tot artikel 23, 4° van de Grondwet, m.n. de bescherming van het leefmilieu, verduidelijkt het Hof in overweging B.14 van het arrest dat: “de standstill-verplichting niet enkel [geldt] ter bescherming van het recht op een gezond leefmilieu, maar van alle in artikel 23 van de Grondwet vermelde rechten.”

Het substitutierecht herrijst dus als een feniks (voor een tweede maal) uit haar as en het wordt maar de vraag hoe de decreetgever hiermee in de toekomst zal omspringen. Zet deze na een tweede mislukte poging de strijd verder of wordt de strijdbijl definitief begraven? Het zal uitkijken zijn wat de nieuwe legislatuur brengt, maar wat wel reeds kan worden meegegeven is dat in het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 alvast wel werd opgenomen dat het Decreet Lokaal Bestuur zal worden gewijzigd een reparatie van het DLB op dit punt kan dan ook in diezelfde beweging gebeuren.

Voor meer informatie met betrekking tot dit onderwerp kan u steeds terecht bij Equator Advocaten.

 

 

[1] GwH 10 oktober 2019, nr. 129/2019.

[2] S. KEUNEN, S. VAN GARSSE en A. VERSCHAVE, “Het verdwijnen van het substitutierecht”, in S. HENNAU, S. KEUNEN en S. VAN GARSSE (eds.), Het Decreet lokaal bestuur, Brugge, VandenBroele, 2018, (271) 272.

[3] Art. 64 van het Decreet van 29 juni 2012 tot wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, BS 8 augustus 2012.

[4] GwH 23 januari 2014, nr. 9/2014.

[5] Dit door middel van de opheffingsbepaling, artikel 577, 50° van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, BS 15 februari 2018.

[6] Raad van State, afdeling wetgeving ,advies 61.794/3 van 9 oktober 2017 over een voorontwerp van decreet van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest “over het lokaal bestuur”.

[7] S. KEUNEN, S. VAN GARSSE en A. VERSCHAVE, “Het verdwijnen van het substitutierecht”, in S. HENNAU, S. KEUNEN en S. VAN GARSSE (eds.), Het Decreet lokaal bestuur, Brugge, VandenBroele, 2018, 271-278.

[8] Zie hiervoor overweging B.13 van het arrest: “Door de opheffing van het vorderingsrecht namens de gemeente heeft de decreetgever het beschermingsniveau dat werd geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate verminderd zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.”

2019-10-11T13:27:38+00:00