Opnieuw een de facto bouwverbod in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden?

Op 17 oktober 2019 velde het Grondwettelijk Hof opnieuw een vernietigingsarrest (nr. 145/2019) omtrent de Codex-trein1, ditmaal omtrent artikel 5.7.1 VCRO.

De invoering van het nieuwe artikel 5.7.1 VCRO was voornamelijk bedoeld om de handelingen die toelaatbaar waren in de “landschappelijk waardevolle agrarische gebieden” bijkomend te kaderen en (opnieuw) voor vergunning in aanmerking te laten komen.

De decreetgever was namelijk van oordeel dat de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen de voorschriften van de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op een “te behoudende wijze” interpreteerden en dit tot gevolg zou hebben dat deze gebieden als het ware bouwvrij zouden worden, hetgeen geenszins de bedoeling zou zijn geweest van de initiële regelgever2.

Artikel 5.7.1 VCRO was aldus een poging van de decreetgever om hieraan een oplossing te bieden. Zo bepaalde artikel 5.7.1 dat de handelingen en werken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden wel degelijk in aanmerking konden komen voor vergunning in zoverre onder meer rekening wordt gehouden met de karakteristieke landschapselementen en -opbouw. De werken moesten tevens landschappelijk inpasbaar zijn en konden ook de landschapsontwikkeling of -opbouw tot doel hebben. Tot slot werd nog bepaald dat, zelfs indien maatregelen zouden worden voorzien of voorwaarden zouden worden opgelegd die de landschapsintegratie zouden waarborgen (bijvoorbeeld een groenscherm), dit niet betekende dat de werken daarom per definitie niet inpasbaar zouden zijn.

Volgens de verzoekende partijen kwam dit alles neer op een (materiële) wijziging van de geldende gewestplanvoorschriften, hetgeen enkel door middel van een RUP had kunnen gebeuren. Bovendien waren zij van oordeel dat zulks voorafgaand voorwerp had moeten uitmaken van een milieueffectenrapport.

Het Grondwettelijk Hof volgde finaal de verzoekende partijen waar zij, in essentie, opwierpen dat zulke wijziging van bestemmingsvoorschriften enkel mogelijk is aan de hand van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dit zou waarborgen dat burgers hun recht op inspraak kunnen doen gelden over de voorgenomen wijziging. Door deze wijziging echter bij decreet door te voeren zou afbreuk worden gedaan aan de voorheen geboden bescherming van het leefmilieu, hetgeen volgens het Hof in strijd is met het standstill-beginsel. Het Grondwettelijk Hof verduidelijkt daarentegen wel dat de bepalingen van de VCRO geen plannen of programma’s zijn die voorafgaand aan een MER moeten worden onderworpen.

En zo vernietigde het Grondwettelijk Hof opnieuw een bepaling uit de Codex-trein.

Voor meer informatie kan u terecht bij Equator Advocaten.

 

[1] Decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, BS 20 december 2017.

[2] Memorie van Toelichting bij Ontwerp van decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, Parl. St. Vlaams Parlement, 2016 – 2017, nr. 1149/1, p. 19 en 117-118.

[3] RvS 17 maart 2015, nr. 230.563.

2019-10-22T12:30:44+00:00