Begin oktober heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen een arrest geveld in navolging van het arrest van 8 mei 2025 van het Hof van Justitie, het fameuze Wasserij-arrest, en de cassatieberoepen bij de Raad van State.[1] Dit is één van de vele zaken die gelet op het hangende geschil voor het Hof van Justitie voor onbepaalde duur was uitgesteld.
Wasserij-arrest in het kort. Uit artikel 9bis van de Project-Mer-Richtlijn volgt dat wanneer een overheid die over een project moet oordelen ook de opdrachtgever van dat project is, er in de organisatie van de administratieve bevoegdheden een passende scheiding moet worden aangebracht tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit de richtlijn voortvloeiende taken. Concreet betekent dit dat er geen (schijn van) belangenvermenging mag zijn bij de overheid of instantie die de milieubeoordeling bij een vergunningsaanvraag dient op te maken. Het Hof van Justitie gaf in het Wasserij-arrest aan dat dit verbod op belangenvermenging niet alleen geldt tijdens de milieueffectenbeoordeling zelf maar ook bij de beslissing die een bevoegde instantie neemt tijdens de m.e.r.-screeningsprocedure. Het Hof interpreteert artikel 9bis van de Project-Mer-Richtlijn aldus in die zin dat ook screeningsplichtige projecten onder de toepassing ervan vallen. De Vlaamse decreetgever heeft dit als volgt omgezet in artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet: een overheid die tevens de initiatiefnemer is van een screeningsplichtig project, mag vervolgens niet zelf de vergunning voor dit project verlenen.
Feiten. De omgevingsvergunning die uiteindelijk heeft geleid tot het arrest van 1 oktober 2026, had betrekking op het verkavelen van gronden in 44 loten gelegen te Dilsen-Stokkem. De aanvraag werd bij het schepencollege van de stad Dilsen-Stokkem in eerste instantie ingediend door Landwaarts cvba, een toenmalige sociale huisvestingsmaatschappij werkzaam op het grondgebied van de stad Dilsen-Stokkem, dewelke tijdens de lopende omgevingsvergunningsprocedure fusioneerde met 18 andere huisvestingsmaatschappijen tot de woonmaatschappij Wonen in Limburg (WiL).
Discussie over begrip ‘initiatiefnemer’ in de zin van artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet. De verzoekende partij voerde de schending aan van artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 9bis van de Project-MEr-Richtlijn. In casu stond niet ter discussie dat het om een screeningsplichtig project ging. De betwisting ging hier over het begrip ‘initiatiefnemer’. De verzoekende partij was van mening dat de aanvraag een gemeentelijk project beoogt waarbij het college van burgemeester en schepenen moet worden beschouwd als initiatiefnemer en aanvrager in de zin van artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet, ondanks dat de aanvraag werd ingediend door WiL. Hierdoor zou de vergunningsaanvraag moeten zijn behandeld door de deputatie van de provincie Limburg.
Beoordeling door de Raad. De Raad acht het middel gegrond en stelt zich in de plaats. Volgens de Raad draagt de realisatie van een project van een sociale woonmaatschappij binnen het grondgebied van de gemeente bij aan het vervullen van decretale verplichting van de gemeente onder de Vlaamse Codex Wonen, zoals het realiseren en stimuleren van sociale woonprojecten (het bindend sociaal objectief). De sociale woonmaatschappijen zouden op hun beurt bijdragen aan het bereiken van het bindend sociaal objectief van de gemeente. Gelet op de decretale verankering van de band tussen de gemeente en de sociale woonmaatschappij inzake de realisatie van voldoende sociale woningen, heeft de gemeente een conflicterend belang bij de beoordeling van de milieueffecten van een aanvraag voor een sociaal woonproject door de sociale woonmaatschappij op haar grondgebied. De vaststelling dat Dilsen-Stokkem slechts een minderheidsaandeelhouder is in WiL deed volgens de Raad niet ter zake. De decretale verankering van de band tussen de gemeente en de sociale woonmaatschappij inzake de realisatie van voldoende sociale woningen zorgt voor gemeenschappelijke objectieven tussen beiden.
Op basis hiervan besluit de Raad dat de gemeente wel degelijk als initiatiefnemer van de vergunningsaanvraag moest worden beschouwd. De aanvraag moest dus worden ingediend bij de deputatie van de provincie Limburg.
Gevolgen voor de praktijk. Dit arrest dreigt verregaande gevolgen te hebben voor de sector. Indien dit arrest voortaan moet worden gevolgd, zullen de woonmaatschappijen hun omgevingsvergunningsaanvragen voor (screenings- of MER-plichtige) sociale woonprojecten niet langer bij de gemeente kunnen indienen.
[1] RvVb 1 oktober 2026, nr. RVVB-2627-0074.